Spelen in de schaduw – een persoonlijke blog over mijn jeugd 

“Kom, we gaan naar buiten”, fluister ik tegen mijn broertje, terwijl ik hem aanstoot. Stilletjes lopen op onze sokken we via de bijkeuken naar de zware houten achterdeur. Ik ga aan de klink hangen om hem naar beneden te krijgen, zodat de deur opengaat. De deur lijkt erg op de deur die in de stal zit aan het eind van ons erf. Waarschijnlijk omdat de keuken en bijkeuken vroeger samen een stal waren.  

Met mijn paar kilo ben ik net zwaar genoeg om de klink in beweging te krijgen. Kloink, klinkt het en de deur schiet open. Ik luister even of ik mijn moeder hoor. Niks te horen. We trekken onze laarzen aan en rennen langs de rozentuin over het gras richting de appelboom met de grote appels. Mijn moeder ligt in bed, maar toch kijk ik door het raam van de keuken naar binnen om er zeker van te zijn dat ze niet staat te kijken. Nee, er is niemand.  

Op veilige hoogte 

Bij de appelboom waarvan de onderste tak op de hoogte van mijn ogen zit, blijven we staan. Ik schat even in hoe ik in de boom ga klimmen en overleg dit met mijn broertje. Een paar woorden zijn genoeg, want we voelen elkaar goed aan. Dat is al zo sinds die keer dat mijn ouders hem buiten hadden vastgebonden aan de zuidkant van het huis. Ze hadden hem een soort borstharnas van leren riempjes aangedaan, zodat hij niet kon weglopen. Hij was heel verdrietig en ik probeerde hem te troosten door zand uit de zandbak te halen, zodat hij met zand kon spelen.   

Ik kijk nog eens omhoog naar de top van de boom. Vervolgens leg ik snel mijn handen om de onderste tak en trek mezelf op. Vervolgens sla ik mijn rechterbeen om de tak en wurm mezelf omhoog totdat ik erop zit. Mijn broertje volgt mijn voorbeeld en klimt ook omhoog. Weer kijk ik naar ons huis. Het is beter dat mijn moeder niet ziet hoe hoog we in de boom klimmen. Toen ze ons laatst zag klimmen kwam ze naar buiten rennen en schreeuwde: “Niet doen, straks vallen jullie”. De tranen stonden in haar ogen. Ik schrok en kreeg er een naar gevoel van in mijn buik. Zo wil ik me niet meer voelen.  

Klimmen in bomen geeft me een heerlijk gevoel. Ik pak de tak waarop we zitten, vast en laat me weer naar beneden zakken. Een tijdje blijf ik hangen aan mijn armen en slinger wat heen en weer. Zo spelen we nog een tijdje door. Steeds zoeken we een boom uit om in te klimmen, klimmen zo hoog we kunnen en daarna klimmen weer naar beneden. Zo nu en dan kijk ik naar het huis of het nog stil is daar. Gelukkig laat mijn moeder zich niet zien.  

Mijn KOPP verleden én KOPP heden

Dit verhaal speelde in de jaren zestig. We konden heerlijk spelen en voelden ons vrij op de momenten dat mijn moeder op bed lag. Ons erf was onze speeltuin en we leefden in onze fantasiewereld waar we heer en meester waren. We hadden elkaar en dat was tijdens die middagen genoeg. Wel hield ik altijd in mijn achterhoofd rekening met mijn moeder. Ze mocht niet overstuur raken, want dat voelde niet prettig. Daardoor ging ik me al heel jong verantwoordelijk voelen voor de gevoelens van mijn moeder.  

Op zich is er ook niks mis mee om rekening te houden met een ander, maar helaas schoot ik er in mijn volwassen leven in door. Ik hield op een gegeven moment niet alleen rekening met mijn moeder maar met heel veel mensen in mijn omgeving. Door het zorgen voor een ander, zorgde ik op een gegeven moment niet meer goed voor mezelf. Ik werd hard voor mezelf en dacht dat dat goed was. Maar ik kreeg lichamelijke klachten en was snel moe . Ik werd door mijn lichamelijke klachten met mijn neus op de feiten gedrukt.  

Zorgen voor anderen én mijzelf 

Dankzij veel lieve mensen kwam ik er steeds meer achter dat ik door mijn KOPP-verleden niet geleerd had voor mezelf te zorgen. Gelukkig lukt het me tegenwoordig steeds beter om nee te zeggen en rust te nemen. En dat opent weer heel veel nieuwe deuren met nieuwe mogelijkheden! 

Dicky Meijer